BEWONDERAARS VAN BOB DYLAN – ENIGE GETUIGENISSEN

‘BOB, TILL  I  DROP!’

FILOSOFISCHE EN (ANDERE) FREEWHEELIN’ FANS

Wat Bob Dylan en zijn werk betekent en nog kan betekenen, is niet simpel onder woorden te brengen. Deze meesterlijke muzikant en tekstschrijver representeert niet alleen als enkeling de muzikale en literaire kunst, hij vertegenwoordigt de dromen van groepen mensen van meerdere generaties. Daarbij is hij een icoon dat uiterst diverse beelden, gedachten en standpunten oproept, zelfs zonder dat hij spreekt of zingt of speelt.

Ziehier een selectie van originele getuigenissen – van zorgzame denkers en dichters, muzikanten en (andere) kunstenaars, of anderszins geëngageerde enkelingen.  Speciaal bij de 80ste verjaardag van Robert Allen Zimmerman voor ù vergaard. Jawel: dank u, zoekend hert!

 

EEN NEVER-ENDING STORY-TELLING. MET NU AL DEZE BIJZONDERE ENKELINGEN:

SANDRA LANGEREIS – SERGE SIMONART – JANNAH LOONTJENS – FRANK ALBERS – JOHAN BIJTTEBIER – ELLEN VERSTREPEN – PATRICK ROEFFLAER – GREG HOUWER – JEAN PAUL VAN BENDEGEM – NICO KONING – LUDO ABICHT – DON VITALSKI – GERT VAN BOXEL – TIM VAN LAERE – GUY GRAULUS – WILFRIED HENDRICKX – ALAIN PLATEL – CHRISTOPHE VEKEMAN – RUDOLF HECKE – MANU CLAEYS – IDA DEQUEECKER – BENNY MADALIJNS – JAN HAUTEKIET – MARC DE KESEL – EDDY BONTE – FRANK STAPPAERTS – JOHAN DECROOS – ERIK VRANCKEN – JOS VANDEPUT – TONY VANDERHEYDEN – ELLI IZEBOUD …

 

SANDRA LANGEREIS: ‘GET BORN!’

Bob Dylan 80. Gelukkig voor hem leeft poppoëet Dylan lang genoeg om zelf te mogen meemaken dat zijn muziek bewijst dat de impact van het geschreven woord het nimmer haalt bij de kracht van het gezongen woord – en in Dylans geval: het gezingzegde woord. Hoeveel levens hebben zijn songs wel niet. Is er een andere taalkunstvorm te bedenken die over de generaties heen zo vitaal rechtstreeks tot de verbeelding blijft spreken? Ik denk toch van niet. Gelukkig voor ons dus dat Dylan 60 jaar geleden besloot zijn gedichten te gaan zingen. Bob Dylan 80: de vraag van Het zoekend hert wat dat gegeven in mij losmaakt deed mij spontaan mijn zelfgebakken spotify-lijstje ‘Subterranean Homesick Blues & tributes’ aanklikken. En het bijbehorende geniale filmpje – eerste muziekclip in de wereldgeschiedenis? – op youtube maar weer eens tevoorschijn toveren, waarin een piepjonge Bob ironisch commentaar op zijn eigen magistrale dichtkunst levert in die cue-cards met verhaspelde rijmwoorden uit de song. Ik zie uit naar zondagavond. Geen betere manier om Bob Dylans 80ste verjaardag te vieren dan te genieten van het Dylantribute van laaglands coolste popman Stef Kamil Carlens. Kijken en luisteren dus op zondag 23 mei om 23 uur op: hetzoekendhert.be en geniet nu al van Stefs voorproefje ‘Like A Rolling Stone’ op humo.be. Get born!

Sandra Langereis, historica en auteur van top-biografieën, over Christoffel Plantijn en heel recent ook Erasmus (De Bezige Bij)

FOTO: Historiografe Sandra Langereis: “Bob Dylan 80 weekt ook zeker een zoektocht in de platencollectie los.”

 

SERGE SIMONART: ‘GEEN ANDERE ARTIEST HEEFT ZOVEEL DIGNITY’

Bob Dylan heeft een song die ‘Dignity’ heet en zo denk ik over hem: geen andere artiest van zijn generatie heeft zozeer een eigenzinnig, onafhankelijk, boeiend en lang parcours gereden, zonder schandalen, zonder grote inzinkingen, zonder zijn broek af te steken of zijn ziel te verkopen. Geen andere popartiest heeft meer trends en modes en lichtzinnige wanen van de dag genegeerd en integendeel koppig en vastberaden vastgehouden aan zijn eigen visie, ook al was die vaak antimodieus en vloekte ze met de tijdgeest. Het is idioot om een favoriete Dylanplaat te kiezen uit zo’n rijk en gevarieerd oeuvre, maar mijn favoriet blijft ‘Blood on the tracks’. Dylan 80? May he stay forever young.

Serge Simonart, schrijver en rockjournalist, onder meer voor HUMO

FOTO: De schrijver-journalist in zijn werkkamer.

 

JANNAH LOONTJENS: ‘PAS ALS JONGE TIENER WERD IK DOOR ZIJN WOORDEN GERAAKT’

Het intens beluisteren van muziek gebeurde in mijn kindertijd vooral in de auto, waar een paar cassettebandjes lagen, waaronder Blonde on Blonde van Bob Dylan; zijn nasale stem – ‘a voice like sand and glue’, door Bowie getypeerd – vermengde zich met de gitaar en de andere instrumenten, de door de bomen scherende lage najaarszon en de slierende beweging over heuvels en door bochten; muziek en omgeving vloeiden in elkaar over, werden een bol van beleving die me het bos door rolde. Pas later, als jonge tiener, werd ik door zijn woorden geraakt, die ik tot die tijd nog niet had losgetornd van de instrumenten. Ik werd gegrepen door ‘Ballad of a Thin Man’: ‘you see this one-eyed midget shouting the word “Now” / And you say, “For what reason?” and he says, “How” / And you say, “What does this mean?” and he screams back, “You’re a cow! / Give me some milk or else go home“.’ Dit was overweldigend, absurdistisch, veelzeggend en raak. In ditzelfde nummer wist Dylan zelfs ‘tax-deductible charity organizations’ melodieus te laten klinken.

Jannah Loontjens, filosofe, essayiste en romanschrijfster

FOTO: “Ik, als kind in Zweden, ten tijde dat we naar Dylan in de auto luisterden.”

 

PROF. FRANK ALBERS: ‘BOB DYLAN IS EN BLIJFT EEN RUSTELOZE ZOEKER’

Mijn eerste herinnering aan Bob Dylan is leeg.

Ik weet dat ik op een natte, sombere zaterdagmiddag in juni 1978 in De Kuip in Rotterdam Bob Dylans eerste concert in Nederland heb bijgewoond, samen met ruim 50 000 anderen – zoveel volk hadden ze in het Feyenoordstadion in jaren niet meer gezien.

Ik herinner me dat Dylan een special guest had meegebracht: Eric Clapton. En dat Clapton veel beter zong dan Dylan. En dat hij ook nog eens het lef had om zijn set af te sluiten met een indrukwekkende versie van Knocking on Heaven’s Door,een van de meesterwerken van Dylan. Maar van Dylans eigen optreden is me niets bijgebleven, behalve dan een vaag gevoel van teleurstelling.

Op The Official Bob Dylan Site vond ik de setlist terug van dat optreden in Rotterdam, bijna 43 jaar geleden. Dylan opende met A Hard Rain’s A-Gonna Fall en speelde daarna een resem klassiekers: Mr. Tambourine Man, Like a Rolling Stone, All Along the Watchtower, tot en met Blowin’ in the Wind en The Times They Are A-Changin’. Alles om de echte Dylanfan te plezieren, vermoed ik. Maar ik had, en ook dat kan ik nu alleen maar vermoeden, iets anders verwacht.

Mijn liefde voor het werk van Dylan is begonnen met Desire. Die plaat kwam in 1976 uit en bevat absolute meesterwerken als Isis, Sara, Oh, Sister, One More Cup of Coffee. Maar het pièce de résistance blijft natuurlijk Hurricane, een protestsong van bijna negen minuten waarin Dylan in het krijt treedt voor Rubin “Hurricane” Carter (1937-2014), de zwarte Amerikaans-Canadese bokser die in 1967 onterecht werd veroordeeld voor moord en bijna twintig jaar onschuldig in de gevangenis heeft gezeten. Ik was geen bokser en niet zwart, geen Amerikaan en zelfs niet gedetineerd, maar toch, zoals Dylan hier snoeihard uithaalde naar het racisme en het falende rechtssysteem in de VS – ik kon het allemaal navoelen. En dit nummer speelde hij dus niét, daar in Rotterdam in 1978. (Van Desire haalde alleen One More Cup of Coffee de setlist.) Misschien was ik daarom teleurgesteld. Maar misschien heb ik die dag ook iets belangrijks over Dylan geleerd, iets wat hem typeert en wat ik pas jaren later heb leren waarderen: Bob Dylan doet altijd zijn eigen zin.

Van het Woodstockfestival dat in 1969 zo’n beetje in zijn achtertuin werd georganiseerd tot de ceremonie voor de Nobelprijs Literatuur die hem in 2016 te beurt viel: Dylan liet zich er niet zien. Geen zin. Geen toegevingen. In 1963 kreeg hij een uitnodiging om op te treden in The Ed Sullivan Show, op dat ogenblik het populairste zondagavondprogramma op de Amerikaanse televisie. Tijdens de repetitie hoorden de programmamakers dat Dylan van plan was een politiek satirisch nummer te zingen, over de anti-communistische, extreem-rechtse John Birch Society. Dat vonden de heren van CBS toch net iets te heftig, zo op een zondagavond. Ze vroegen Dylan om iets minder controversieels te spelen. Mooi niet, zei Dylan, en weg was hij. Dan maar geen Ed Sullivan Show. (Elvis Presley had zich zeven jaar eerder voor en door dat programma wél laten censureren: hij stemde ermee in dat hij “only from the waist up” zou worden gefilmd, zonder dat zinnelijk wiebelende onderlijf.) Nee, behaagziek is Dylan nooit geweest.

Met een vermogen dat wordt geraamd op 400 à 500 miljoen dollar is het natuurlijk net iets makkelijker om ijzerenheinig je weg te gaan en je ding te doen, maar die eigenzinnigheid is niet alleen een karaktertrek, het typeert ook zijn kunst. Dylan is en blijft een rusteloze zoeker, die gaat waar zijn intuïtie, zijn creativiteit en zijn nieuwsgierigheid hem heen leiden. Hij neemt daarbij soms grote artistieke risico’s. Denk maar aan het Newport Folk Festival in juli 1965, waar Dylan en zijn band voor het eerst elektrische instrumenten bespeelden, wat zijn folkmuziekaanhangers zo ongeveer een hartverzakking bezorgde. Die verloochening van het folksy instrumentarium veroorzaakte “a civil war among Dylan’s fans”, schreef Sean Wilentz in zijn voortreffelijke boek Bob Dylan in America (2011). Dylan werd getrakteerd op een fluitconcert van zijn eigen fans. He couldn’t care less.

Of denk aan zijn christelijke periode (1979-1981), toen hij, in de ban van een New Age-vriendinnetje, drie platen na elkaar maakte (Slow Train Coming, Saved, Shot of Love) waarin hij God de Vader dankte en wel erg veel Bijbelse verzen zong. De onthutste Dylanfan moest weer even slikken. En weer kon het hem geen barst schelen. “It’s always been my nature to take chances” klonk het in Angelina, een song geschreven voor het album Shot of Love, maar uiteindelijk geschrapt en pas vele jaren later uitgebracht op The Bootleg Series Volumes 1-3 (Rare & Unreleased) 1961-1991. Drie jaar later sloot Dylan deze omstreden periode weer af, met het veelzeggend getitelde album Infidels (1982) en met de niet ongeestige mededeling: “Jesus himself only preached for three years.”

O ja, hij heeft me in de loop der jaren ook vaak flink geërgerd. Met zijn geknor en zijn geneuzel, zijn haast principieel oninteressante antwoorden op vragen van journalisten, zijn apathische gedrag tegenover het publiek dat naar zijn vaak teleurstellende liveconcerten komt en daar toch maar mooi geld voor betaalt. Echt een hork, denk ik wel eens. Maar dan wel een hork met een indrukwekkend oeuvre. Een oeuvre dat er een beetje uitziet als Zwitserland: hoge toppen, diepe dalen.

Die veelkantigheid. Dat grillige. Die onrust, ook nog op zijn tachtigste. Protestsongs en kerstliedjes. Folk en rock. Simpele ballades en hermetische verhalen. De sporen van een leven lang lezen en luisteren en graaien uit genres, tradities, vormen. En vooral: die niet aflatende woede over “alles wat vals is en krom en onecht”, zoals zijn Nederlandse stiefbroertje Boudewijn de Groot het zong (op tekst van Lennaert Nijgh) in zijn Dylanbewerking Er komen andere tijden (1965).

In Rolling Thunder Revue, de documentaire die Martin Scorsese in 2019 maakte over het ‘circus’ waarmee Dylan in 1975-1976 door de VS trok (nu te zien op Netflix), zit een kort, prachtig interview met Rubin Hurricane Carter. Daarin vertelt de intussen overleden bokser: “Telkens wanneer ik Bob tegenkom vraag ik hem: En, Bob, heb je het al gevonden? Ja, zegt hij dan, maar ik weet dat het niet waar is. Bob blijft altijd zoeken.”

Zo blijft een kunstenaar, ook op zijn tachtigste, forever young.

Frank Albers, filosoof, taalkundige, auteur en docent

FOTO: “Veel beter vond ik niet uit mijn wilde jaren, als Dylan-lookalike.”

 

JOHAN BIJTTEBIER: ‘DIE MUZIEK. HET IS TE NEMEN OF TE LATEN’

Dylan is een minnestreel, bard, jongleur, magiër in de lange rij van volkszangers, die hem zijn voorafgegaan.

Elk muziekgenre heeft hij verkend, opgezocht. Hij gaf er een nieuwe dimensie aan. Dylan is voor mij de allerlaatste troubadour der middeleeuwen. Hij trekt van stad naar stad, Genua, Praag, Lubeck en overal waar een zanger een publiek zal entertainen.

Tot vermaak van omstaanders zet hij een zotskap op of hult zich in een clowneske cowboy-outfit. We begrijpen. De liederen staan voorop. De persoon doet niet ter zake. De koffer met liedjes schuift open, het draaiorgeltje slaat aan. Geen gedoe met bindteksten. Het marktplein zal vol lopen. Het publiek, zoveel is zeker, zal in de ban van de liedjes komen.

Daags nadien is hij verdwenen, naar Bremen of Parijs? Hij is altijd onderweg. Nooit thuis. Zo kan het gebeuren dat hij verdwaalt in een immens woud en de weg kwijt is. Dan verschijnen er rare platen of helemaal niks.

Die muziek. Het is te nemen of te laten. Op onverwachte tijden, we verwachten niets meer, het was al heel mooi, komt hij wéér voor de dag met een nieuwe liedjes en die teksten, die blijven inspireren.

Wat houdt me op de been? Wat blijft een onuitputtelijke bron van inspiratie voor mij? Wat is er gaande?

Het zijn de onvergetelijke zinnen, die de soundtrack zijn van mijn leven: dromen, de liefde, de nederlagen, de paradoxen in het dagelijks leven, de doortrapte leugens en de ongezouten waarheid.

Johan Bijttebier. Gewezen lid van het Antwerps Advocaten Collectief, voormalig gemeenteraadslid Groen Antwerpen 2000 -2006. Stichter-voorzitter van de Europese organisatie Euro-Polio. ON THE ROAD. 

 

FOTO: “Leuven, zomer 1973, kroegentijgers, café De Splinter

 

ELLEN VERSTREPEN: ‘EN ONDERTUSSEN DRAAI IK HEM HIER RUSTIG VERDER GRIJS’

Ik denk dat ik me in het leven nog niet vaak van held heb vergist (noch heb ik eender welke vrouw aanbeden of een trein gemist, maar dat geheel terzijde), want Bob Dylan kwam vrij snel tot mij, zij het via omwegen. Ik kende Bob voor ik wist wie hij was, hij werd geïntroduceerd door de belangrijkste mannen in mijn leven.

Mijn grootvader zaliger had een hart voor het Nederlandstalige lied en De Nieuwe Snaar in het bijzonder, wat ervoor zorgde dat ik gefascineerd raakte door de wereldartiest die de hemel leek ontzegd te worden.

‘Weet je hoe de man achter Dylan heet?’ vroeg mijn vader wanneer ik zijn naam onlangs liet vallen. Ik aarzelde aanvankelijk even, gecharmeerd door de manier waarop mijn vader heel het gegeven Dylan zo mooi vatte, om daarna vol overgave ‘Robert Allen Zimmerman’ te antwoorden. De beginklank van zijn tweede voornaam hield ik kort en scherp waardoor de mannelijke variant maximaal aanleunde bij mijn vrouwelijk equivalent. Papa knikte goedkeurend en ik ook, want ik was er – als kind van de jaren ’80 –  vanuit gegaan dat het proces van mijn naamgeving vooral beïnvloed was door enige adoratie voor Foley en Sue Ellen, charismatisch en flawed dus enigszins aandoenlijk. Wat misschien ook – en dit stel ik schoorvoetend – van Bob Dylan kan gezegd worden. Ik ben er niet op ingegaan, op de betekenis van die knik, ik koester de mogelijkheid dat mijn fanatieke fangedrag nog meer gerechtvaardigd kan worden.

Mijn muzikale smaak ontwikkelt zich al wel eens met vertraging, laten we zeggen dat ik die spreekwoordelijke trein wel vaak mis, en one too many mornings te laat dweepte ik met Johnny Cash. Tijdens een van mijn obsessieve nachtelijke luistersessies viel mijn oog op een clip van Cash en Dylan en zonder scrupules keerde ik mijn oorspronkelijke liefde de rug toe om mijn aandacht te verleggen naar de chiclettekauwende jongeling met de stem van schuurpapier.

Ik ben een vrouw van stil verzet, het waren niet zijn fingerpointing hymnes die mijn adoratie bestendigden. Ik situeerde mezelf noch een of ander antwoord blowend in de wind, achtervolgde geen tamboerijnspelers doorheen jingle jangle ochtenden. Nee, het zat hem in de sfeer van de berusting na de aarzeling of de rauwe geruststelling zoals die uitgaat van Don’t Think Twice, It’s All Right.

Laten we hopen dat er nog lang geen Dylan in de hemel te vinden is – of waar het ook moge zijn dat hij gaan wil –  en ondertussen draai ik hem hier rustig verder grijs.

Ellen Verstrepen, romanschrijfster en auteur bij Houtekiet

FOTO: “Als ik aan Dylan denk, verschijnt dit beeld voor mijn geestesoog :-)”

 

PATRICK ROEFFLAER: ‘HET GAAT EROM WAT HIJ MET ZIJN STEM DOET’

“Bob Dylan? Die kan toch niet zingen!” Hoe dikwijls hebben we die opmerking al niet moeten aanhoren? Meestal hou ik het bij een verwijzing naar een lijst gepubliceerd door het Britse muziektijdschrift Mojo: Greatest Singers Of All Time (oktober 1998). Daarin staat onze held op een mooie elfde plaats, tussen Otis Redding en Nat King Cole. Terecht, want zijn stemgeluid mag dan af en toe worden vergeleken met dat van een krassende kraai, het gaat erom wat hij er mee doet. Zijn frasering is fenomenaal. Schijnbaar met het grootste gemak laat hij dertien lettergrepen volgen op een regel met slechts plaats voor zeven, zonder daarbij de melodie geweld aan te doen. Zijn unieke gevoel voor ritme en frasering, voordracht en dynamiek wordt, ten overvloede, aangetoond op de bootlegseries waarbij take na take van een song zijn te beluisteren. Bij de voorbereidingen voor mijn boek ‘Bob Dylan in de studio’ vertelden verschillende van zijn muzikanten me hoe hij, zodra de opnameknop werd ingedrukt, plots in een andere toonaard begon te spelen of het metrum veranderde. Dat hij daarvoor die heel persoonlijke, niet te vergelijken teksten gebruikt, “karamellenverzen” voor de ene, een Nobelprijs waardig volgens vele anderen én het specialistencomité, dat is een bonus, toch? In elk geval: voer voor discussie, overwegen en nadenken, telkens opnieuw.

Patrick Roefflaer, auteur van ‘Bob Dylan in de studio’ (Epo, 2011)

FOTO: De Dylan-expert met zijn buitengewone boek, dat in HUMO indertijd als volgt werd geroemd: ‘Het beste Dylan-boek is geschreven door een Belg’.

 

DR. GREG HOUWER: ‘BOB DYLAN IS VOOR MIJ EEN WARE GROMBOWICZIAAN’

Dylan is voor mij een ware Gombrowicziaan. Gombrowicz, Witold, allicht de meest onbekende bekende auteur van de twintigste eeuw. Sartriaan avant la lettre. Dylan is voor mij in één woord: de ongrijpbare. Dat is voor mij al zijn grootheid, maar ook al zijn kleinheid. Onlangs keek ik naar de docu ‘Rolling thunder revue’, van Scorsese, over Dylan’s tour ‘with friends’, ik schat ergens rond 76. Dylan die opnieuw wilt optreden, en die in de geest van Jack Kerouack gewoon wat wilt rondreizen met vrienden, en af en toe, in kleine zaaltjes wat wilt optreden. Kijk vooral naar het nummer Isis. Dylan, wit geschminkt, het vleesgeworden enigma. Dansend rondom het podium als een ware gnoom. Een sjamaan. Bezwerend prachtig! Maar de docu laat ook iets zien wat minder expliciet wordt uitgesproken: Dylan de onkenbare, Dylan, het raadsel, ja, dat is hij ook naar zelfs zijn intimi toe… Niemand van de crew die werkelijk tot Dylan kan doordringen. Dylan blijft liever een raadsel… Dat is voor mij de ware kern van Dylan. Een man die eeuwig verbinding zoekt, maar die diezelfde verbinding ook telkens weer afstoot. Voor mij is Dylan om die reden telkens een broer vanuit de verte geweest. Iemand die ik enorm respecteer. Iemand die me inspireert. Maar ook iemand die ik uiteindelijk rustig terzijde wil parkeren – wie weet, ooit…

Een van de mooiste nummers die Dylan in mijn ogen ooit maakte is Not dark yet… Zelden zie ik iemands persoonlijkheid, wereldbeeld, en klankbeeld zo nauw samenkomen.

Lange tijd werd er gediscussieerd over de vraag of Dylan de Nobelprijs wel verdiende. Ik las daar tientallen artikelen over. In geen van die artikelen vernam ik iets over wat Dylan tot hiertoe al schreef, zijn autobiografische Chronicles. Ik las wat er al verscheen en kan alleen maar zeggen: wie dat schreef verdient alleen al om die reden een nobelprijs literatuur. Die Chronicles zijn ongelooflijk! Los daarvan, ik ken maar één singer-songwriter die zo met taal kan omgaan als Dylan, en daarmee bedoel ik het volgende. Lees een doorsnee tekst van Dylan, en je kan er tamelijk vaak geen touw aan vastknopen. Maar luister naar het erbijhorende nummer, en plots valt alles op zijn plaats. Dylan is voor mij een van de enige artiesten die er in slaagt het eeuwenoude debat tussen muziek en betekenis op een bevredigende manier op te lossen. Voor componisten als Smetana was muziek niet los te koppelen van talige betekenis – ‘hier horen we de Voldava-rivier kabbelen’… ja, het zal wel… Programmamuziek. Anderzijds zijn er zij die in muziek iets volslagen abstracts zien. Een mooi voorbeeld is Sigur Ros, met hun zelf uitgevonden non-taal… Zelf, als singer-songwriter heb ik meer sympathie voor de laatste positie. Maar Dylan toont ons de bijna onmogelijke middenweg. Teksten die als tekst nauwelijks los kunnen worden gezien van hun muzikale invulling (ik ga hier kort door de bocht, ik weet dat Dylan ook heel wat andere teksten schreef). En dat is in mijn ogen enorm uniek. Ik ken maar één groep die hem dat nadeed, en dat zijn de Pixies.

Ik bewonder Dylan enorm. En tegelijkertijd probeer ik me af te zetten tegen zijn gezochte ‘ongrijpbaarheid’… Het laat een mens nogal eenzaam achter. Ik bewonder die gewrochte weerbarstigheid, die Gombrowicziaanse houding van: niemand kan mij vangen… (‘Idiot wind’ is hier een prachtige uiting van… Het is het lied dat Gombrowicz had geschreven, had hij iets van muziek begrepen). En tegelijkertijd bewonder ik het enorm… Ja, ik houd echt van Dylan…. In alle bescheidenheid, ik zie Dylan vaak als een lieve broer die me op de schouder klopt en me goede raad influistert… Ik houd van deze man, zoals ik van weinig anderen houd.

Greg Houwer, doctor in de wijsbegeerte en handelsingenieur, schrijver en muzikant

FOTO: Greg Houwer: “Onderweg zijn is voor mij natuurlijk ook iets dat gelieerd is aan Dylan :-)”

 

PROF. JEAN PAUL VAN BENDEGEM: ‘THE MEDIUM IS THE MESSAGE’

Het eerste wat de naam Bob Dylan bij mij oproept is de filmische muziekclip van Subterranean Homesick Blues. Het is een iconisch beeld geworden en gebleven: Bob Dylan die zelf niet zingt maar trefwoorden op pancartes heeft staan die op verschillende locaties één na één worden weggegooid. Op de achtergrond is beat poet Allen Ginsburg te zien en ik ben vertrokken voor een lange reis: van Jack Kerouacs weg, William Burroughs naakte lunch, de Beat Generation, over het hardere protest van Jerry Rubin (DO IT!) tot LSD Timothy Leary, de bizarre Whole Earth Catalog, and Marshall McLuhan met zijn profetische The Medium is the Message.

Jean Paul Van Bendegem, filosoof en professor emeritus in de wijsbegeerte

FOTO: “Dit portret moet ergens rond 1980 genomen zijn. Dat is wel iets later dan het begin van mijn interesse voor Bob Dylan maar die invloed speelde wel nog altijd een belangrijke rol. Aangevuld met onder meer Frank Zappa, toen nog met The Mothers of Invention. En, niet te vergeten, hier te lande, Boudewijn De Groot.”

 

DR. NICO KONING: ‘I’LL STAND ON THE OCEAN UNTIL I START SINKIN’’

Mijn lezing over ‘Erich Fromm en de moderniseringsangst’ in filosofiehuis Het zoekend hert, in 2017, werd bewust ingeleid met een geluidsweergave van Hard Rain van Bob Dylan. Dylans voorspelling over een naderend noodweer was op een nieuwe manier actueel.

Bob Dylan is met zijn 80 jaar nog steeds de verpersoonlijking van een in opstand komende jeugd die constateert dat de volwassenen er een zootje van hebben gemaakt. De antwoorden op alle kritische vragen van toen zijn ook nu nog ‘blowing in the wind’. Het zijn niet alleen de heersers die muzikaal ter verantwoording worden geroepen, maar alle vaders en moeders die de macht van die heersers dragen.

Come mothers and fathers throughout the land
And don’t criticize what you can’t understand
Your sons and your daughters are beyond your command
Your old road is rapidly agin’

Er zijn inderdaad andere tijden aangebroken en de stem van jongeren wordt serieuzer genomen dan vóór de jongerenrevolutie. Maar de nieuwe generaties hebben nieuwe ‘masters of war’ voortgebracht en ook nieuwe verschoppelingen, een wereld waar ‘souls are forgotten’. Er zijn echter ook opnieuw protesterende jongeren die roepen:

I’ll stand on the ocean until I start sinkin’.

Nico Koning, auteur en goede vriend van Hans Achterhuis, beiden filosoof

FOTO: Nico Koning, ergens in the seventies.

 

PROF. EM. LUDO ABICHT: ‘HET HUIS VOL BEWONDERAARS HEEFT VELE KAMERS’

De geniale dichter en bohémien Dylan Thomas (1914 -1953) uit Wales heeft in de vroege jaren zestig onze jeugd verblijd, mede dank zij de vertalingen van zijn werk door Hugo Claus. Hij werd bewonderd door John Lennon, die zijn portret op de kaft van Sgt. Pepper’s Lonely Hearts Club Band liet plaatsen en hij bezorgde de jonge Robert Allen Zimmerman, die in 1941 of all places geboren werd in Duluth, Minnesota, een klinkende nom d’artiste. Of all places: Duluth is een industriestad met veel miljonairs (ertswinning) en nog veel meer Scandinavische immigranten, een stad die in de wereld vooral bekend geworden is als… de geboorteplaats van Bob Dylan, helemaal niet vergelijkbaar met bijvoorbeeld de Village in New York of Height-Ashbury in San Francisco.

De jonge Dylan was gefascineerd door de Amerikaanse traditie van de folksong, meer bepaald door de legendarische Woody Guthrie (“This land is my land, this land is your land”) en rondtrekkende linkse troubadours en troublemakers als Pete Seeger. Seeger, die met de folksong groep The Almanac Singers vanaf 1940 de goede communistische boodschap in vakbonden, onder stakers, op betogingen en op vele campussen verspreidde, is één van die kunstenaars die in de jaren zestig de brug kon slaan tussen de sociale strijd tijdens de Depressie en de nieuwe bewegingen tegen de oorlog in Vietnam en de discriminatie van de Zwarten in de jaren zestig. Mensen als Seeger begroetten de getalenteerde singer-songwriter uit Duluth als een godsgeschenk: hier was de nieuwe generatie die de traditie van de protestliederen zou voortzetten, want de strijd voor vrede en gelijkheid was nog lang niet voorbij. En zo leerde ik in Ohio ook Dylan kennen: iemand die heel precies kon verwoorden wat er toen in ons leefde.

Maar Seeger was op de eerste plaats een sociaal activist en pas daarna een gevierd podiumkunstenaar in linkse kringen. Hij en zijn politieke medestanders hadden niet door dat Dylan vooral een kunstenaar was, iemand die een paar jaar hun pad gekruist had, maar die stilaan zijn vleugels begon uit te slaan.

Eerst naar de uit de onlangs uit de Bluegrass ontwikkelde commerciële Country & Western muziek, die de nadruk legde op het onverbloemde levenslied (en –leed) van de heel gewone mensen uit het vergeten land van Kentucky en West Virginia tot Texas. Onverbloemd, omdat die nieuwe zangers en zangeressen (Loretta Lynn, Dolly Parton, Tammy Wynette, Johnny Cash en Willie Nelson) heel hun ziel bloot gaven en ook zo begrepen werden door hun hillbillie buren, zelfs al woonden de succesrijke zangers in luxueuse villa’s (mansions), terwijl de meerderheid van hun bewonderaars nog ergens up shit creek als mijnwerkers en arme boeren overleefden.

Bob Dylan, met zijn bijna Mozartachtige muzikale natuurtalent, was weliswaar geen hillbilly, maar slaagde er niettemin in, onder meer met het album Nashville Skyline (1969), een reeks perfecte en door de liefhebbers aanvaarde country songs te scheppen. Dat bleek ook uit de nummers die hij samen met Johnny Cash opgenomen heeft.

Protestliederen, Folk, Country & Western, christelijke Gospel songs en rock muziek, het hield niet op. Het huis vol bewonderaars van Dylan heeft vele kamers. Ik heb twee ervan met mijn generatiegenoten grondig en met levenslange dankbaarheid mogen verkennen. Waarvoor dank.

Ludo Abicht, filosoof en auteur, hoogleraar emeritus in de wijsbegeerte

FOTO: Hoes van lp The Freewheeling’ Bob Dylan (27 mei 1963)

  

DON VITALSKI: ‘DYLAN EN NIETZSCHE. JE KUNT NIET OM DIE MENSEN HEEN’

Bob Dylan is fantastisch. Zijn stemgeluid is afschuwelijk, zelf kan ik daar geen drie kwartier naar luisteren, maar zijn schrijfvermogen en compositietalent spatten tien triljoen richtingen tegelijk uit, aldoor, levenslang. Daar staat totààl geen limiet op.

Qua postuur zou Dylan kunnen doen denken aan Nietzsche: je kàn niet om die mensen heen, op een bepaald ogenblik staan ze vlak voor je en moét je je eigen positie bepalen. Beiden àdemen provocatie, totaal maar dan ook totààl compromisloos.

Dylans allerbeste liedje vind ik Hurricane, zo opwindend, koortsachtig en opzwepend, met die schitterende viool van Rivera. It Ain’t Me, Babe is ook steengoed, maar éigenlijk toch vooral pas in de versie van Johnny Cash en de onvolprezen June Carter.

De Nobelprijs voor Dylan was 110% terecht. Wie dat contesteerde, maakte zich belachelijk.

Kleine kanttekening wel: in de botsing van ego’s tussen Dylan en Warhol, delfde Dylan toch het onderspit… Daar scheen die ineens zo ouderwets…

Nog een kleine anekdote: net als Dylan was ook Prince van Minneapolis… Op 9 maart 1981 ging de toen nog volstrekt onbekende Prince daar een gig spelen, waar anders dan in ‘First Avenue’ (dat toen nog ‘Sam’s’ heette.) Zijn manager kwam in de backstage. “Bob Dylan is hier. Hij zou je wel eens willen ontmoeten.” “Sorry,” antwoordde Prince. “Ik heb nu echt geen tijd voor.”

Don Vitalski, auteur, columnist, voormalig nachtburgemeester van Antwerpen

FOTO: April 2017, Sportpaleis Antwerpen, eigen foto door Don Vitalski. Toelichting van de getuigende fan: “Hoe ouder Dylan, hoe beter (zijn stem alsmaar beter geraspt…). Voor dit optreden besliste ik maar één halfuur op voorhand dat ik er naartoe zou wandelen (ik woon 200 meter van het Sportpaleis…). Voor een habbekrats kon ik van iemand die ziek was geworden, een ticket overkopen aan de ingang. Pas toen ik binnenkwam en iemand van de security mij de weg wees, zag ik in: dit was een ticket voor de àllereerste rij, exact in het midden!! Dylan stond zo dichtbij me, dat ik zijn neushaartjes kon zien. Hoe het geluid die avond in de zaal was, weet ik niet; ik had het geluid van Dylan zelf, het geluid van in zijn monitors!!”

 

GERT VAN BOXEL: ‘VOOR TAL VAN INTERPRETATIES VATBAAR’

Denkend aan Bob Dylan kwam spontaan een zin uit Shelter from the Storm in mijn gedachten, het nummer dat mij goed 40 jaar geleden definitief voor hem deed vallen. Een nummer dat – zoals zo vaak bij Dylan – voor tal van interpretaties vatbaar is en waarin vele mensen zich om hun eigen redenen kunnen herkennen. “Beauty walks a razor’s edge”, een prachtige metafoor voor het leven in al zijn aspecten, niet in het minst voor dat van Dylan zelf. “Someday I’ll make it mine”. Dat deed ie in elk geval.

Gert Van Boxel, journalist en nieuwslezer van vrt-radio

FOTO: Gert Van Boxel, terugkijkend: “Ziehier twee LP’s. ‘Highway 61 Revisited’ uit 1965, mijn geboortejaar. En ‘Budokan’, door echte Bob-cats wel eens misprezen maar voor de jonge ik – in de late jaren ’70 – de plaat van de verlichting.”

 

TIM VAN LAERE: ‘EEN SONG VOOR ELK MOMENT IN JE LEVEN’

Voor mij is Bob Dylan als een vriend die ik al ken sinds ik 15 jaar was.

Hij is een ongelooflijke muzikant en vooral songwriter die een song biedt voor elk moment in je leven: liefde, dood, geboorte, hypocrisy, ontgoocheling, verdriet, overwinning, verlies,.. echt alles.

Dat hij intussen 80 jaar wordt is iets wat voor mij weinig uitmaakt.

Ik zie hem als iemand die er altijd is en altijd zal zijn, een beetje zoals God (als je daarin zou geloven).

Tim Van Laere, kunstkenner en oprichter van Tim Van Laere Gallery, Antwerpen

FOTO: Tim Van Laere bij een werk van Jonathan Meese (courtesy Tim Van Laere Gallery)

 

GENIS U. aka GUY GRAULUS: ‘DE ZIN OM HEM OPNIEUW TE ONTDEKKEN, GROEIT’

Mijn broer kocht, toen ik een prille tiener was, Blood On The Tracks. De prachtige hoes viel me op, meer nog dan de muziek. Idiot Wind bleef plakken.

Iemand van het internaat op de middelbare school, later dood aangetroffen in een portaal met een naald in zijn arm, was laaiend over Desire en dan vooral over Sara. Zelf heb ik niet veel van Dylan: Hard Rain (een live plaat met Idiot Wind erop) en The Basement Tapes met het hartverscheurende Tears Of Rage. Op vinyl, CD’s waren er nog niet.

Zelf heb ik niet veel mét Bob Dylan. Ik kreeg de vraag om iets te schrijven voor zijn 80ste verjaardag en het eerste wat bij me opkwam was het beeld van een neuzelende, vervelende vent. Die zelf zijn Nobelprijs niet wou ophalen. Een zeer bedenkelijke live reputatie heeft en interviewers tot wanhoop heeft gedreven.

Maar dat klopt niet, doet hem oneer aan. Ik ken maar een fragment van zijn omvangrijke oeuvre en daar zitten heel wat parels bij. Dat ik hem niet gevolgd heb, me niet verdiept heb in zijn muziek, heeft nog andere redenen. De weinig flatterende imitatie in Flakes op Zappa’s Sheik Yerbouti hielp niet. In mijn platenkast geraakte ik toen meestal niet verder dan The Clash en Dead Kennedys, omdat ik die spannender vond. En waar ik helemaal op afknapte was Slow Train Coming. Hij had de heer ontdekt. Later nog wat geflirt met de paus. Hij kon mijn held niet zijn. Daar kon zelfs de adoratie van mijn echte held Neil Young voor Dylan niets aan veranderen.

Maar de voorbije dagen en uren begon het te dagen dat Dylan onbewust toch een grote invloed op me heeft. Ik merkte dat ik ook in mijn CD-kast een paar platen van hem heb zitten en de zin om die, samen met het vinyl, opnieuw te gaan ontdekken, groeit. De briljante video met de pancartes voor Subterranean Homesick Blues staat op mijn netvlies gebrand. In één van mijn eigen songs met Perverted by Desire zit een onverholen verwijzing naar Idiot Wind en niet zo gek lang geleden heb ik een song ‘Slow Train’ genoemd. Een instrumental. Je moet weten met wie je je niet hoort te meten.

Guy Graulus, stichter en frontman van rockgroep Perverted by Desire

FOTO: Nieuwerkerken (Limburg), 20 mei 1971, eigen foto. “Ik houd niet van Bob Dylan. En ook niet van Jezus Christus.” Begin dat jaar gaf Bob Dylan ‘If not for you’, een track uit de lp ‘New Morning, uit als single. Gevolgd, op 1 mei 1971, door een nieuwe versie van dat nummer met Georges Harrison van The Beatles. De versie van Olivia Newton-John werd in die zomer een internationale megahit.

 

WILFRIED HENDRICKX aka HENDRIX: ‘DYLANS JAMMERKLACHT WAS OOK DIE VAN MIJN HELD. EN DUS DIE VAN MIJ’

Dylan is de allergrootste, laat daar geen nanoseconde twijfel over bestaan. Vanaf mijn achttiende heeft hij mijn leven vorm gegeven. Troost, ook. Balsem op de onbegrepen ziel die ik toen
was. En nog altijd ben.
In mijn romans was hij vaak aanwezig. In De Babyboomers klinkt Like a Rolling Stone bladzijdenlang op de achtergrond: How does it feel / How does it féél? Dylans jammerklacht was ook die van mijn held. En dus die van mij. In mijn roman De solipsist gaat het hoofdpersonage zelfs een hoofdstuk lange dialoog met his Bobness aan.
Luister naar The Ballad of Frankie Lee and Judas Priest (uit het John Wesley Harding-album). Voor mijn part mocht Dylan alleen al voor dat lied de Nobelprijs literatuur krijgen. Bob Dylan heeft àlles: de juiste noten, het juiste strottenhoofd, de juiste neus waardoor hij de juiste noten en de juiste woorden pompt. Maar boven alles heeft hij de juiste timing. Ik bewonder de durf van Stef Kamil en zijn Gates of Eden om zich aan Dylan te wagen. Maar laten wij wel wezen: nobody sings Dylan like Dylan.

Wilfried Hendrickx, journalist, aka Hendrix, romanschrijver

FOTO: De schrijver met zijn roman Het infrarood en het ultraviolet – over een anti-denker, anti-schrijver, anti-alles.

 

ALAIN PLATEL: ‘ONVERGETELIJK MOOIE EN ONTROERENDE REACTIE …’

Ik heb de carrière van Bob Dylan nooit écht gevolgd, want ik was geen fan van hem noch van zijn muziek. Wat mij wél heeft geraakt is toen Patti Smith op de uitreiking van zijn Nobelprijs een paar keer de tekst van een van zijn songs vergat. Onvergetelijk mooie en ontroerende reactie van haar …

Alain Platel, theaterregisseur en choreograaf

 

CHRISTOPHE VEKEMAN: ‘IK LEES HAAST EVEN GRAAG OVER HEM DAN IK NAAR HEM LUISTER’

Net als bijvoorbeeld Jerry Lee Lewis, George Jones en Hank Williams is Bob Dylan een perfecte illustratie van mijn theorie dat hoe belangwekkender en beter een muziekartiest is, hoe fantastischer ook de boeken dienen te worden genoemd die er in de loop der tijden over hem verschenen zijn. Denk maar aan de geschriften van – ik doe een greepje – Christopher Ricks, Paul Williams en Clinton Heylin, en je zal mij op zijn minst op een haar na begrijpen als ik zeg: ik lees inmiddels haast even graag over Bob Dylan als dat ik naar hem luister.

Een en ander bewijst natuurlijk alleen maar hoe verdomd inspirerend hij van in den beginne geweest is en altijd zal blijven. En niet alleen maar inspirerend op literair vlak. De seks en de verkeersboetes die ik aan Dylan heb te danken, de vechtpartijen die ik op zijn muziek ben begonnen, de flessen die ik aan mijn mond heb gezet terwijl ik vóór aanvang van dit of dat nummer nochtans helemaal geen dorst had, de keren dat hij mij onweerstaanbaar op mijn knieën dwong: ze zijn niet te tellen.

Het betreft hier een veelvoud van tachtig, in elk geval.

Christophe Vekeman, schrijver, dichter en performer

FOTO: Christophe Vekeman in de vrt-studio, met op het scherm een nobele bekende.

 

PROF. MARC DE KESEL: ‘POËZIE VINDT HIJ OPNIEUW UIT ALS WAS HET ER NOOIT GEWEEST’

Ik ben vooral vertrouwd met de eerste jaren van Bob Dylan (tot en met Blond on Blonde, en dan later, vooral Blood on the Tracks), gaf er al een paar keer een lezing over, waar ik inging op het uitzonderlijk poëtisch talent van de man (ik sta dus helemaal achter de Nobelprijs voor literatuur die hij kreeg). “I’m a poet, I know it, Hope I don’t blow it”, zingt hij, en de “blow” van die laatste woorden laten goed de dichter zien, die niets is dan de onvermoeide seismograaf die zich met alle adem die hij in zich heeft, afstemt op het “blowing in the wind” dat de Muze is. Zoals bij elke dichter van formaat, kun je ook bij hem stellen dat hij simpelweg wat poëzie is opnieuw uitvindt als was het er nooit geweest. En precies daarmee plaatst hij zich in de traditie van die grote voorganger van hem die de Muze aanriep om de wrok van Achilles te beschrijven. In de lezingen die ik erover had (en helaas niet uitschreef) herinner ik mij dat ik ook inzoomde op de onversneden bijbelse-profetische traditie die uit zijn oeuvre spreekt. Soms hoor je in hem simpelweg de ruige, onverbiddelijke, anti-religieuze Jesaja.

Prof. Dr. Marc De Kesel, filosoof, docent en auteur

FOTO: “Niet bepaald een foto uit mijn wilde jaren.”

 

EDDY BONTE: ‘WITH GOD ON OUR SIDE’

De Westhoek, 1964.
De boodschap van ‘With God On Our Side’ is welgekomen als je als vijftienjarige in een uithoek woont die wordt gedomineerd door de K van Katholiek: kerk, partij, school, fanfare, ziekenfonds, vakbond, middenstand. Dezelfde streek  waar vierhonderd jaar vroeger hageprekers het Nieuwe Geloof uitrolden. Maar ook waar de Eerste Wereldoorlog in elke straat, in elke wei, in elke familie zijn vernietigende sporen heeft nagelaten. De Westhoek, een miniatuur van conservatief Vlaanderen, Vlaanderen een miniatuur van het triomferende, hoogmoedige en vooral dogmatische Europa, waar elk alternatief in de kiem wordt gesmoord met een tegenargument dat er geen is: In God We Trust. Alles voor Vlaanderen, Vlaanderen voor Kristus.

Met de hulp van God, roeiden we de Indianen uit, zingt Dylan. Dat zijn dus zwarte Afrikanen in een Belgische, maar ook in een Arabische variant. Tijdens het Spaans-Amerikaanse conflict en de Amerikaanse Burgeroorlog, streden alle partijen met God aan hun zijde. Dylan signaleert echter een probleempje: onder het motto ‘Gott Mit Uns’, roeiden de nazi’s een paar miljoen Joden uit. Staat God dan aan de kant van ieder die zich op hem beroept? Zo ja, stond hij dan ook aan de kant van Judas?

Het Gentse, 2021.
Het  is wellicht geen toeval dat ‘With God On Our Side’ amper nog wordt gedraaid. We leven in godgevoelige tijden. Hij mag niet straffeloos in twijfel worden getrokken, terwijl gelovigen elkaar blijven bekampen in naam van dezelfde leer. Maar God is niet alleen: de vroegere aanbidders van God, de Onze wel te verstaan, hebben de Dogma’s wonderlijk vermenigvuldigd. Eén Economie, één Democratie en één set Waarden voor iedereen volstaan. Al de rest hoort in de vuilnisbak thuis. Dylan blijft echter relevant en gevaarlijk, want bij uitbreiding staat God natuurlijk voor Dogma. Niet enkel dat van Het Boek, maar ook dat van de Partij, Het Programma, De Wetenschap, Het Systeem. Een dogma wordt geopenbaard en heeft dus geen denken van doen.

Dylan zou Dylan niet zijn als het venijn niet in de staart zat. ‘With God On Our Side’ eindigt met deze bedenking: ‘(…) If God’s on our side / He’ll stop the next war’. Anders gezegd: als een Dogma uit werkelijke waarheden bestond, zoals de belijders ervan beweren, zouden we er niemand voor ombrengen.

Eddy Bonte, publicist en radiomaker, gewezen freelancer voor De Morgen en Knack.

FOTO VAN VROEGER: © Ivan Hubrecht, actie voor Boemerang, met Willem Vermandere, Markt Veurne, 1969

FOTO NU: © Karim Harid, 2016

 

ERIK VRANCKEN: ‘EEN ROTS IN DE BRANDING, ANNEX WEGWIJZER EN MIJLPAAL’

Van 1970 tot 1974 woonde ik bij mijn moeder in Beverst, nabij Bilzen. We gingen vrij vaak naar Hasselt waar op de Grote Markt een winkeltje was, ik ben de naam vergeten – om een of andere reden denk ik ‘Musikladen’ maar dat was een Duits muziekprogramma.

Ik ben de uitbater van het winkeltje (een smalle pijp met de gekende grote bakken) eeuwig dankbaar. Hij leerde me (onder anderen) Bob Dylan kennen: mijn eerste elpee van ’the master’ was Highway 61 Revisited. Ik heb die grijsgedraaid, ondersteboven en gefascineerd, nog steeds trouwens. In 1972 volgde The Concert for Bangla Desh, de registratie van twee concerten in New York. De volledige kant vijf is voor Bob Dylan met vijf van zijn greatest hits (al past die term niet goed bij zijn werk) en spaarzaam begeleid door George Harrison, Ringo Starr (de halve Beatles) en Leon Russell.

Zijn stem, frasering, teksten, begeleiding, alles is anders bij Bob. Ik zag hem slechts eenmaal live, in Werchter anno 1990. Het concert trok op niets, maar ik heb een blijvende herinnering aan zijn presence. Zonder veel poeha domineerde hij het hele concert lang op een totaal eigen, onnavolgbare wijze.

Mijn collectie omvat nu vierentwintig platen van Dylan, bijna alles van The Band en nog wat tributes en een pak covers: Jimi Hendrix‘ versie van Like a Rolling Stone of All Along the Watchtower!! zelfs Siouxie and the Banhees coveren hem met This Wheel’s on Fire – en zo kan ik nog een hele tijd doorgaan.

In mijn jonge jaren was Dylan voor veel (jonge) kennissen een rots in de branding annex wegwijzer en mijlpaal. Tot mijn vreugde merk ik dat ook jongere generaties Dylan leren kennen en appreciëren. Zijn muziek – en zeker de teksten – zal nog lang meegaan.

Erik Vrancken, educatief bediende bij Vlaams ABVV

FOTO 1: Erik Vrancken in een vuilnisbak, “een beetje zoals ik me toen voelde”, Wemmel 1973.

FOTO 2: Erik Vrancken: “Tussen Boeddha en witte wijn, met een erotisch fotoboek in de handen”, omstreeks 1981.

 

RUDOLF HECKE: ‘EEN BAND TUSSEN GAINSBOURG EN DYLAN? ZEKER EN VAST!’

Het eerste wat me te binnenschoot nadat ik werd gevraagd naar een tekst over de man die tegelijk Jezus en Judas voor een generatie was, is het beeld van een verliefde jonge bard. Die was namelijk verliefd op een foto. Een platonische liefde, dus het maakte niet uit dat er een oceaan school tussen hem en het dromerige onaards mooie meisje op de foto. Yéyé, koningin mét inhoud Françoise Hardy. En de wereld zou van zijn verliefdheid weten, hij verklaarde haar zijn liefde met een gedicht op de hoes van Another side of Bob Dylan.

Twee jaar later, in 1966, bevindt Françoise Hardy zich op de eerste rij tijdens Dylans concert in de Parijse Olympia. Tussen al die onbekende Franse gueules herkent Bob plots het meisje van de foto. Hij onderbreekt zijn concert en laat haar via zijn manager weten dat hij het slechts zal voortzetten als zij hem in zijn kleedkamer wil ontmoeten. De timide Françoise gaat schoorvoetend in op de uitnodiging en ontmoet haar muzikale idool. Het concert wordt hervat en beiden zien elkaar weer na de show in het imposante ‘George V’ hotel, waar Bob vanop zijn bed twee songs voor haar speelt: I want you en Just like a woman. Françoise verklaart later dat de bedoeling niet mis te begrijpen was maar dat de vonk niet oversprong. Het meisje op de eerste rij werd voor Bob voor altijd weer het meisje op de foto.

En vergeef me, beste die-hard Dylan-fan, vervolgens dacht ik aan Serge Gainsbourg, âme soeur van Hardy en Jacques Dutronc, peetvader van hun zoon Thomas. Is er een band tussen Bob en ‘Seurge’? Zeker en vast. Een jaar na de kuise Parijse bedscène brengt Gainsbourg Chanson du forçat uit, een chanson onmiskenbaar ‘geïnspireerd’ (op zijn Gainsbourgs geïnspireerd, wat wil zeggen, gewoon gejat) op Dylans Ballad of Hollis Brown uit 1964. Serge komt er (zoals steeds) openlijk voor uit, l’art mineur quoi… Of Dylan bekend was met Serge’s werk? Hij nam in ieder geval deel aan een privé luistersessie van L’homme à tête de chou Serge’s tweede conceptalbum, georganiseerd door Hugues Aufray. Op dit album bedient Serge zich volledig van zijn talk-over zangtechniek, gebaseerd op… Dylans manier van pratend zingen, de talking blues. Een jaar voor Serges overlijden rijpt bovendien bij filmregisseur Bertrand Blier het plan om voor zijn nieuwe film Merçi la vie het trio Gainsbourg, Dylan en Lou Reed te engageren. Als producer wordt Phil Ramone aangetrokken. Helaas blijft de effectieve samenwerking uit wegens zakelijke belemmeringen (in de praktijk: Serge was inmiddels al te ziek om dergelijk engagement tot een goed einde te brengen). Tenslotte op 20 maart 1991 ligt er voor Gainsbourg een vliegtuigticket klaar naar New Orleans waar de opnames van zijn nieuw album Christian name Christian zullen plaats vinden met de muzikanten van Dylans album Oh Mercy (Brian Stolz, Tony Hall en Willy Green). Helaas vertoeft Serge op dat moment al achttien dagen in les volutes bleues en rookt Havana’s met Dieu.

En pas dan, excuses excuses, dacht ik aan de meester zelve. Het moment dat mijn hart ging slaan voor Dylan, bij het beluisteren van het album Desire. Een plaat die ik zoals de meeste Gainsbourgplaten in tweevoud bezit (een draai-exemplaar en een onuitgepakt) en die voor altijd in mijn persoonlijke top vijf van lp’s zal staan. Een plaat zonder fillers. Een plaat met de bij mijn weten enige protestsong die tevens een floorfiller is: Hurricane. Telkens die single opgelegd werd in de Leuvense ‘Zaal der Hallen’ medio seventies barstte de dansvloer uit zijn voegen. Jiven, de volledige 8’33” lang. Alleen Iron Butterfly deed (zeven minuten) beter met ‘In-a-gadda-da-vida’. Een song die zowel in de intimiteit van m’n slaapkamer vanaf mijn portable pick-up als in de hipp(i)e danstempel van mijn geboortestad voor rillingen zorgde en de zekerheid dat muziek en woord mijn leven zouden blijven bepalen. Het verhaal van onrecht, de aanstekelijke groove en.. de onaardse viool van Scarlet Rivera! Het vleesgeworden mysterie, wat een vrouw! Een indruk die veel jaren later nog zou worden versterkt nadat ik Martin Scorseses Rolling Thunder Revue zag en herzag. De vrouw die trouwens eveneens haar vioolkunsten leende aan Peter ‘Du bist Alles’ Maffay, voorwaar een mysterie dus.

Natuurlijk ook het machtige Sarah en mijn favoriete Dylansong One more cup of coffee. Het meesterwerk met de groove waarvan ik alleen maar kan wensen dat hij me begeleiden zal in mijn laatste aardse momenten. En dan had ik het nog niet over die stem, hoe die tekeer gaat… Sinatra, dat is een zanger, en Bob Dylan dat is een zanger. Zo verschillend en beiden toch zo zanger. Prachtig toch. De song kent maar één gebrek, dat hij te vroeg stopt. Zoals het leven zelf, ook daarin benadert Dylan de perfectie. (18/5/2021)

Rudolf Hecke, schrijver-dichter, performer, biograaf van Serge Gainsbourg

FOTO: Rudolf Hecke met Gainsbourg T-shirt en twee exemplaren van Dylan’s Desire: “een draai-exemplaar en een onuitgepakt”.

 

MANU CLAEYS: ‘DE IMPACT VAN DE ONBEKENDE PROTESTZANGER’

In de jaren tachtig woonden Anne en ik anderhalf jaar in Minnesota, home state van Bob Zimmerman, die in het najaar van 1959 naar de grote stad Minneapolis verhuisde en er vervelde tot Bob Dylan. In de universiteitswijk gingen we regelmatig eten in een vegetarisch restaurant waarvan iedereen zei dat Bawb er vaak kwam toen hij er in de buurt woonde. Wanneer we naar het theater gingen, zeiden mensen dat hij dat theater had gekocht om het van de sloophamer te redden. Hij had de staat intussen al lang verlaten, maar bleef opduiken in de lokale folklore. In zijn biografie had hij het uitgebreid over die vormende periode, toen hij de platen van zijn blues- en folk-helden kocht of leende om ze noot voor noot na te spelen. Enkele maanden later trok hij naar New York, om daar zijn geluk te beproeven. Over zijn beginjaren aan de Oostkust vond ik bij de voorbereiding van Red de democratie zelf een anekdote die ik in het boek verwerkte. Hoeveel valt er niet nog te ontdekken over Dylan, dacht ik toen. Ik deel deze anekdote graag op mijn beurt, nu Dylan tachtig wordt.

In de zomer van 1962 ging activiste Jane Jacobs haar grootste uitdaging aan, die haar wereldwijd bekendheid zou opleveren. Sinds de jaren veertig ijverde stadsplanner Robert Moses voor de aanleg van een snelweg met tien rijstroken dwars door het New Yorkse Soho en Little Italy. Toen bekend raakte dat de eerste huizen zouden worden gesloopt, richtte Jacobs de Joint Committee to Stop the Lower Manhattan Expressway op, waarin ze verschillende lokale verenigingen samenbracht. Ze had alle administratieve stukken opgevraagd, belegde publieke vergaderingen, lanceerde petities, liet affiches maken, deed aan fundraising, zocht weeffouten in de besluitvorming, gaf persconferenties, organiseerde in het oog springende acties (begrafenisoptochten door de straten, bewoners die gasmaskers droegen op publieksbijeenkomsten), netwerkte met architecten, kunstenaars en ambtenaren, betrok prominente stemmen bij de strijd, en schreef mee aan een protestsong.

De songtekst dook in juni 2015 op, toen iemand na een bezoek aan een New Yorks archief een foto ervan op Tumblr plaatste. In het najaar van 1962 wilde Jane Jacobs een protestlied voor de geplande manifestaties. Haar vriend Harry Jackson, een schilder, zei dat er een folksinger bij hem op de vloer sliep die haar misschien kon helpen. Hij stuurde de zanger naar het huis van Jacobs, waar ze samen aan de tekst werkten. De zanger was de toen nog onbekende Bob Dylan. Zijn vriendin Suze Rotolo, dochter van vakbondsafgevaardigden en zelf actief in de burgerrechtenbeweging, had hem in het begin van dat jaar aangemoedigd om te komen zingen op politieke bijeenkomsten. In februari 1962 schreef hij zijn eerste politieke song, ‘Talkin’ John Birch Paranoid Blues’. Begin maart 1962 volgde ‘Death of Emmett Till’, zijn eerste protestsong, over een lynchpartij die enkele jaren eerder plaatsvond. In een bar in Greenwich Village bracht hij in april 1962 een eerste versie van ‘Blowin’ in the Wind’, met daarin de klassieke wake-up call: ‘How many times can a man turn his head, pretending he just doesn’t see? The answer, my friend, is blowin’ in the wind.’ Met de volgende regels uit ‘Listen, Robert Moses’ (te zingen op de melodie van Pete Seegers ‘Listen Mr Bilbo’) leken Dylan en Jacobs een concreter, activistisch antwoord te willen formuleren:

Will we stand up for our rights or be scattered in the wind?

(…)

It’s time to make a stand, it’s time to try and save

This here neighborhood of ours ‘fore it lands down in the grave.

So hold up your banners and raise them to the wind,

We’ll stand here and fight, and fight until we win.

Jane Jacobs en haar medestanders haalden het uiteindelijk andermaal. De geplande snelweg kwam er niet.

Manu Claeys, essayist en voorzitter van het Antwerpse bewonerscollectief stRaten-generaal

FOTO: Manu Claeys en schrijfster Anne Provoost, in het Middelheimmuseum, als geëngageerde gidsen tijdens het jubileumfeest van Het zoekend hert (15-09-2019).

 

IDA DEQUEECKER: ‘VERLANGEN NAAR VRIJHEID EN GEVOEL VAN VERBONDENHEID’

De 80 jaar geworden Bob Dylan weekt niet meteen iets los bij mij. Alleszins zijn ‘his Bobness’ niet. Bepaalde liedjes van hem wel. Het zijn zonder twijfel de liedjes van de jaren 60. Op de muziek en flarden tekst van Dylan ging ik verrukkelijk onder in golven van onbehagen en onzekerheid, van hechte vriendschappen en onvervulde liefdes, van uitdagende rebellie en vaag links engagement, van woede om onrecht en verwarring over het lompe mannendom, van verlangen naar vrijheid en een gevoel van verbondenheid met elke bevrijdingsstrijd in de wereld. Dylan verstond de kunst om meeslepende songs af te leveren met titels en teksten, die én relevant voor de tijdsgeest waren én open voor vele interpretaties los van de bedoeling van de kunstenaar. Van Masters of War tot I Want You, bij wijze van spreken. Van het anti-oorlogslied dat een lied tegen de oorlog in Vietnam werd. (Voor mij verbonden met kameraadschappen met Amerikaanse jongens die hier kwamen studeren om aan de legerdienst te ontsnappen en mijn quasi levenslange breuk met mijn vader die het beschavingswerk van de Amerikanen verdedigde.) Tot het noncorformistische en onbestemde liefdeslied, dat vele snaren raakte. Of is de treffendste vertolking van de stemming van die jaren, waarin alles moeilijk maar mogelijk was, toch: How does it feel to be on your own like a complete unknown like a rolling stone…

Ida Dequeecker, antikapitalistische feministe. Medeoprichtster van Dolle Mina in Vlaanderen in 1970, later van de femsoc beweging, daarna woordvoerdster van RAL (Revolutionaire Arbeiders Liga), vervolgens SAP (Socialistische Arbeiderspartij) en hoofdredacteur van het blad ROOD, nu actief bij Baas Over Eigen Hoofd.

FOTO: Ida Dequeecker, als woordvoerder van de Revolutionaire Arbeiders Liga (RAL), over de beperkte zelfstandigheid van de vrouw en de groeiende werkloosheid in de jaren 70. Ze moest het wel vaker dulden dat haar familienaam verkeerd geschreven werd.

 

FRANK STAPPAERTS: ‘MIJN ONTMOETINGEN MET DYLAN’

Ontmoeting 1

Ik was elf, het was een zaterdagavond, en met vader en moeder ging ik op visite bij een bevriend stel. Plaats van het gebeuren was een kleine leefruimte waar we met z’n allen rond de tafel zaten. De zoon des huizes was net achttien en uiteraard keek ik naar hem op. Zijn laatste aanwinst stond te pronken op het dressoir: een ronde Philips platenspeler, een draagbaar model, waarvan het deksel tevens luidspreker was en waarvan je de draaischijf in beweging zette door krachtig aan de arm te trekken. Terwijl we aten, kregen we eerst Ferre Grignard te horen met ‘Ring, Ring, I’ve Got To Sing’. Vervolgens kwam de hoofdbrok: ‘Bringing It All Back Home’ (1965). Smaken verschillen, gelukkig, maar voor Bob Dylan was het op die avond allicht te vroeg. De stemming aan tafel sloeg om en resulteerde uiteindelijk in een verhitte discussie én ruzie over wat we konden beschouwen als de benedengrens van muziek. Gelukkig was het ondertussen laat genoeg geworden en vertrok de zoon des huizes richting ‘De Muze’, een plek waar men wel oor had voor goede muziek.

Ontmoeting 2

In 1976 verbleef ik een tijd in Kathmandu. Ik was, zoals vele anderen, over land naar Nepal getrokken, de zogenaamde ‘boulevard de Kathmandu’. De lange tijd onderweg hoorde ik prachtige muziek, maar westerse klanken waren er amper. Daar kwam verandering in wanneer ik in de Nepalese hoofdstad, toen nog een klein stadje, de ‘Pleasure Room’ ontdekte, een halfduistere ruimte waar je ontzettend heet kon eten en waar zowat alles wat gerookt kon worden ook gerookt werd. Alleen voor het eten moest je trouwens betalen. De muzikale ervaring die de Pleasure Room je bood was buitengewoon – en allicht niet omwille van de kwaliteit van de geluidsinstallatie. Ik herinner me onder meer ‘Selling England by the Pound’ (1973) van Genesis, ‘Borboletta’ (1974) van Santana, maar vooral ‘Blood on the Tracks’ (1975) van Bob Dylan. Nu nog, wanneer ik Shelter from the Storm hoor, herbeleef ik een vaag Nepal-gevoel.

Ontmoeting 3

Zo’n decennium geleden vertelde een vriend me dat hij ging dineren met Bob Dylan en, vroeg hij, heb je zin om mee te gaan? Ik kon het me amper voorstellen, maar via via kwam het aanbod en veel meer wist hij er voorlopig ook niet over te vertellen. Dylan trad op in Vorst Nationaal en daar zou het gebeuren. Om een lang verhaal kort te maken, mijn – toegegeven – naïeve verwachting werd niet ingelost. In een loge, helemaal bovenaan in de zaal werd ons een heerlijk diner voorgeschoteld. Door het venster konden we in de verte Dylan zien spelen. Op de receptie nadien verscheen hij niet. Maar toch, ondanks alle misrekening, was het een leuke avond!

Covers

Dylan is misschien wel de meest gecoverde artiest van de eeuw. Heel vaak voltrok zich dan ook de discussie: wat is best, het origineel of de cover? Nu weten we allemaal dat Dylan geen superieure gitarist is en dat zijn stem niet altijd feilloos is. Maar toch verkies ik meestal het origineel, met enkele uitzonderingen zoals, One More Cup of Coffee door Sertab op ‘Masked and Anonymous’ (2003), ‘Masters of War’ hertaald als ‘Oorlogsgeleerden’ door Wannes Van de Velde (1997), en wie weet, ‘Bob, till we drop’ door Stef Kamil Carlens

Frank Stappaerts, licentiaat in de politieke wetenschappen, voormalig onderwijsinspecteur Moraal en radiopresentator van Het Vrije Woord (Radio 1), wereldreiziger en reportagefotograaf.

FOTO: De groepsfoto op het officiële affiche van Bob, till we drop is van Frank Stappaerts.

 

JOS VANDEPUT: ‘IF MEMORY SERVES YOU WELL…’

De eerste kennismaking met Bob Dylan was indirect via twee pop songs: ‘Mighty Quinn’ van Manfred Mann en ‘This Wheel’s on Fire’ van Julie Driscoll en Brian Auger. Ik was veertien en genoot van die explosie van jonge bands uit Engeland. Nochtans kwamen die nummers al uit de kelder in Woodstock waar Dylan samen met The Band songs opnam en via zijn Britse agent op de markt bracht. Het was de periode van ‘John Wesley Harding’ en ‘Nashville Skyline’ die ik samen aanschafte. Dylan had zich teruggetrokken. Jimi Hendrix coverde ‘All along the Watchtower’ van bij het verschijnen.

We kenden natuurlijk ‘Blowin’ in the Wind’, maar het is pas later dat ik die eerste periode beter leerde kennen. Ik genoot van zijn spitse formuleringen: “There’s no success like failure and failure is no success at all” (Love Minus Zero/No Limit).

In oktober 1986 opende ik mijn muziekwinkel Sax in de Parijsstraat in Leuven. Bob Dylan heeft een prominente plaats in de winkel. Telkens een nieuw album verschijnt, zorgt dat voor een extra verkoop. In 1991 verscheen ‘The Bootleg Series 1-3’ met onuitgegeven materiaal. We zitten ondertussen aan Volume 15 ‘Travelin’ Thru 1967-69’, de Nashville periode.

Jos Vandeput, disquaire en zaakvoerder van Sax in Leuven

FOTO: “Graag verwijs ik naar Country Bob uit Guy Peellaert’s reeks Rock Dreams. Een werk uit 1971”.

 

DR. BENNY MADALIJNS: ‘DROP YOUR CRUTCHES, MISTER BOB!’

Dinsdagavond 18 mei 2021. Het is een zeldzaam mooie lenteavond en ik neurie opgelucht iets dat van ver lijkt op Hurricane van Bob Dylan. Op een bankje, precies op de kruising van twee
wandelwegen zit een hippie-chic geklede jongedame met blond, lang haar en een oranje Lennon-brilletje. Ze leest een boek van Jack Kerouac. Zijn roman over een ongeremd en onaangepast bestaan. Een filmische beschrijving over zich afzetten tegen gevestigde normen en waarden. On the Road. Het verhaal van Sal Paradise en zijn aan alcohol, seks, drugs en muziek verslaafde vriend Dean Moriarty, die kriskras door de States reizen…

Should I be eighty years old, hobbling along the street on
crutches, and should a policeman suddenly reach out for me,
I know I’d drop the crutches and run like a deer

(Jack Kerouac, On the Road, 1976:104)

Terwijl ik me die twee fameuze hete jaren weer voor de geest haal, op mijn drieënzestigste, ben ik nog steeds in staat me er als een kind over te verwonderen. Alleen heb ik de grootste moeite om ze uit elkaar te houden. Was het nu ’75 of ’76? Het is allemaal heel vaag geworden. Hoe dieper het gat in de tijd, hoe dieper de herinneringen aan toen als schaduwpluimen sigarettenrook door me heen lijken te zweven. Mijn geheugen is wat dat betreft een vergiet. Herinneringen aan de zomers uit mijn jeugd slijten door de jaren en raken tenslotte zoek, maar ik vertik het om constant notitieboekjes mee te slepen. Ik zou later toch nooit naar de verweesde aantekeningen kijken. Als je teveel nadenkt over vroeger krijg je vlugger spijt.

Nuja. Op het vliegveld van Atlanta, waar ik in die dagen een keertje moest overstappen voor Miami, zie ik plots een schichtig ogende en puisterige man met een gouden pilotenbril met als enige bagage een kaduuk instrumentenkoffertje. Hij opent het verlepte hebbeding en tovert een stralende altsaxofoon tevoorschijn. Hij zet het instrument aan zijn mond, speelt en kan niet meer ophouden. De gedempte, fluwelige, sonore sound van zijn sax is zo saillant dat hij voorgoed in mijn geheugen werd gegrift. Dit is zoveel meer dan muzikaal behang dat je afleidt van wat je wilt horen en zeggen. Hij speelt als een volleerd solist, ik sta er versteld van. Dit is duidelijk niet zo maar een of andere excentrieke zuiderling die leerde spelen op een fout gestemd prulletje van twee keer niets. En toen begon hij te zingen …

Here’s the story of the Hurricane, the man the authorities came to blame

Hij zong de melodie met een zeldzame gevoeligheid, waardoor ik op staande voet van het nummer ging houden. Tijd dus om de roerige jaren van een groot zangerdichter te bejubelen Wiens gezongen portretten me vandaag de dag voorkomen als de treiterige veelvuldigheid van het losbandige Kerouac levensmotto. En daar bovenop, het lange en trage aftasten van niets dan droefheid veroorzakende Noord-Amerikaanse grootsteden. The Sixteenth Round

While Rubin sits like buddha in a ten-foot cell

An innocent man in a living hell

That’s the story of the hurricane

De song klinkt als een krabbenmand vol gecementeerde schuld en boete, maar dat geeft niet. Ik sluit alvast mijn ogen en zie ons samen reeds rondscheuren over door god verlaten zoutvlaktes in een roestig witte slee. Lekker wild al die andere rebels with a cause achterna.

Benny Madalijns, Doctor of Philosophy (PhD), Archeology and Art

FOTO 1: Foto zomer 1975. Lloret de Mar, Coasta Brava

FOTO 2: Studentenkaart van de Vrije Universiteit Brussel (VUB), jaren zeventig.

 

JAN HAUTEKIET: ‘NA 50 JAAR BEN IK OM: DYLAN SCHRIJF JE MET GROTE D.’

Bob Dylan 80, wat weekt dat in u los? Met die vraag overvalt Het zoekend hert mij, als matige kenner, maar wel gefascineerde waarnemer van wat de muziek en de figuur bij een mens vermag aan te richten. Op een druilerige maandagavond dan nog, ik ben doorweekt van de genadeloze meiregen, en toch weersta ik aan de verleiding om met een flauwe mop over losweken te komen.

Al moet ik bekennen dat ik wel ongeveer even doorweekt was op 7 juni 1984, toen ik als jonge reporter voor Studio Brussel de eerste verschijning op Brusselse bodem mocht meemaken van Zijne Hoogheid.

Ik vond zopas het ticket terug: afspraak aan de Algemeen Stemrechtlaan, tickets kostten 850 Belgische frank. BTW inbegrepen, dat dan weer wel.

Waarom ik me de locatie zo goed herinner? Het was één van de weinige, zoniet het enige concert dat ooit in het stadion van het toen al zwalpende Crossing Schaarbeek plaatsvond. Ik was en ben zelf meer een Sporting (Anderlecht)-boy, maar ook dat seizoen was niet zo gunstig voor RSCA, want ze moesten de duimen leggen voor Beveren in de nationale competitie. Dat RWDM naar 2de klasse zakte, was dan weer een grote bron van vermaak. Crossing was toen al naar provinciale gezakt en verhuisd naar Elewijt, vandaar dat het stadion beschikbaar was. Maar genoeg over voetbal.

In het machtig mooie Josaphatpark verscheen Hij dus aan mij. His – toen al – Bobness.

Het leek een anomalie: de redder van de wereld stond op een Brussels doorregend voetbalveld van een naar provinciale verbannen ploeg, op een boogscheut van de plek waar de boogschuttersverenigingen Sint Sebastiaan en Monplaisir de staande wip bedrijven. Een modderpoel, was het veeleer. We waren met 17.000 volgens de politie, de rest was te ver heen om tot 17.000 te tellen.

Het was de tour waarop Dylan er de gewoonte op nahield speciale gasten uit te nodigen: Joan Baez, Eric Clapton, Van Morrison, Chrissie Hynde, Bono, ja zelfs de door hem zeer bewonderde Hugues Aufray … Helaas, geen van allen was er in Brussel bij, wel Carlos Santana, aan wiens oeverloze solo’s ik me toen al blauw ergerde.

Dylan was in het goede gezelschap van Mick Taylor, die net The Rolling Stones had verlaten, en van Ian McLagan, keyboardspeler bij The Faces. Dat rockte er niet onaardig op los, en het was genieten.

Naar goede Dylan-gewoonte was hij kort van stof tussen de nummers.

Allicht een trauma overgehouden aan die keer in 1966 toen iemand uit het publiek ‘Judas’ riep, waarop hij ‘I don’t believe you! You’re a ­liar!’ en dan zijn band opjutte met de historische woorden: ‘Play ­fucking loud!’. Sinds die tijd was hij spaarzaam met bindteksten. Het leek er op dat Dylan van niet communiceren zijn handelsmerk maakte.

Tenzij voor Theme Time Radio, de schitterende radioreeks waarin hij werkelijk niet te stoppen is.

Eén keer viel hij uit zijn rol, een paar jaar terug in Wenen, toen de helft van het publiek met de smartphone in de lucht het concert stond te filmen, en hij Blowing in the Wind stillegde, om zijn ergernis te delen met de aanwezigen. Een beetje zoals mijn andere held Keith Jarrett het ook al in juni 1981 in Bozar deed toen iemand op de derde rij foto’s begon te nemen. Met een fototoestel toen nog, weliswaar. Ik vond het toen al een rare gewoonte, en nu nog veel meer. Een phone mag zo smart zijn als hij wil, tijdens een concert zet je hem af.

Spreken deed Dylan ook nauwelijks die keer in Torhout in 1990 toen hij zijn eigen repertoire eigenhandig vertimmerde tot een  onherkenbare geluidsbrij waaruit muziekkenners vruchteloos nummers probeerden te herkennen. Ik zie het nog voor me: wijlen Patrick Dewitte, Dirk Blanchart en Patrick Riguelle, die ik toen nog niet zo goed kende, maakten er een quiz van, zo hadden ze er toch nog iéts aan.

Zelf heb ik al doende het werk van de Meester leren appreciëren. Aan de hand van fan voor het leven Patrick Riguelle is dat heerlijk, al was het maar omdat hij beter zingt dan Bob, en ik hem dus wél begrijp.

Want melodieën schrijven, dat kan Dylan als weinig anderen. Ze dan ook nog zingen, dat is wat anders. Het lijkt er soms op dat hij het zo monotoon mogelijk neuzelen van zijn eigen teksten als een Olympische discipline beschouwt. Was het niet Urbanus die na afloop van 1 van de vele concerten in Vorst Nationaal bij het buitenwandelen bij wijze van appreciatie tegen een collega muzikant de legendarische woorden sprak: ‘En dat allemaal met één noot’.

En toch moet ik bekennen: toen ik onlangs de Scorsese-documentaire van een paar jaar geleden over de Rolling Thunder Revue zag, was ik helemaal om.

Dylan schrijf je met grote D. Het heeft me een jaar of 50 gekost om dat te beseffen, maar beter laat dan nooit.

En dus ben ik blij als een kind dat ik over een paar weken in de backing band van Guy Swinnen, Patrick Riguelle, Naomi Sijmons, Bjorn Eriksson en Piet De Pessemier mag beginnen aan onze eigen lokale Rolling Thunder Revue.  Van harte uitgenodigd. Zoek ons maar op: https://maandacht.be/dylan-80/

En Crossing Schaarbeek?  Die spelen intussen in 3de klasse amateurs. Enfin, speeldén, want sinds eind oktober ligt de competitie stil. U weet waarom.

Jan Hautekiet, muzikant

FOTO: Concertticket van Jan Hautekiet, voor Bob Dylan en Santana, Schaarbeek 7 juni 1984.

 

JOHAN DECROOS: ‘DYLANOLOGEN ZIJN ALS THEOLOGEN. EINDELOOS VERKLAREND WAT ER EIGENLIJK NIET IS. HE’S NOT THERE.

Het zoekend hert overvalt me tijdens een week van koortsige vooravonden voor de 80ste verjaardag van Bob Dylan met het verzoek om ook mijn gedachten te delen bij deze gebeurtenis. Mijn hoofd neuriet All the Tired Horses en het lichaam heeft zin in de soundtrack van Pat Garrett & Billy the Kid – een ware chilloutschijf in dit huishouden en volledig ondergewaardeerd –, maar de verleiding is te groot om getuigenis af te leggen. Zoals zovelen praat ik met graagte over de man die deze week alom en terecht als de allergrootste bestempeld wordt. Eén vooravond is trouwens echt niet genoeg om alle loftuitingen voor de man te omvatten. Ring them bells dus. Het lijkt bijna toepasselijk dat die feestelijke verjaardag dit jaar op Pinkstermaandag moet vallen, een dag waarop we volgens sommige christelijke gelovigen toch even moeten bekomen van de turbulente gebeurtenissen die de dag voordien door hen herdacht worden. Jezus is 40 dagen na zijn verrijzenis eindelijk ten hemel gestegen (zou die dan hebben moeten kloppen op de hemeldeuren?) en na nog eens 10 dagen van algehele vertwijfeling krijgen zijn leerlingen de Heilige Geest op bezoek en zien ze het licht. Alle gelijkenissen met bestaande Bob Dylanvolgelingen zijn vergezocht.

Wanneer je als Dylanfan precies het licht zag, is trouwens bijzonder belangrijk voor de opbouw van het persoonlijke Dylanverhaal. Tijdens mijn lezing Mythes, maskers en moraal – een mogelijk Bob Dylanverhaal ga ik even in op dat gegeven vooraleer ik enkele andere veronderstellingen probeer te belichten. Voor elke Dylanfan, Dylanbewonderaar, Dylangek of hoe men ze ook wil noemen is het een uitgemaakte zaak dat hij of zij een uniek verhaal kent dat dan ook in volstrekte uniciteit voorbehouden is aan de eigen persoon en de zich hiervan compleet onbewuste Dylan zelf. Wat de meesten van die adepten verbindt, is enkel de aanvaarding van andermans verhaal. Niet voor niets is de ondertitel van Scorsese’s Rolling Thunder Revue dan ook ‘A Bob Dylan Story’. Het had ook een ander verhaal kunnen zijn.

In mijn lezing probeer ik Bob Dylan een beetje te begrijpen aan de hand van wat hij zelf zingt en schrijft over andere mensen. Woody Guthrie, Lenny Bruce, Rubin Carter, George Jackson, Blind Willie McTell, Joe Gallo, Sara Lownds, John Lennon … Telkens gaat het over mythische figuren, inwisselbaar als helden, outlaws of muzes en alsof dat nog niet genoeg zou zijn, wordt er door Bob Dylan behoorlijk doorgemythologiseerd. Wat me dan bij de man zelf brengt en de mythe die hij bijna als vanzelfsprekend ondertussen zelf geworden is. Een personage in zíj́n en in dé geschiedenis. Doorgeefluik van eeuwige waarheden en leugens, van moraal en maskerades. Boodschapper en boodschap. Troubadour en Jokerman. Homerus en Odysseus. Valse profeet en ‘waar’-zegger. He contains multitudes en is niet daar. Not there. Als alles weer goed gaat, kom ik het met plezier weer vertellen op mijn eigen never ending tour.

Maar elke Dylanmens heeft dus zijn instapmoment. De andere getuigenissen voor Het zoekend hert maken dit mooi duidelijk. De leeftijd van de getuigen bepaalt de perceptie en de omgang met wat daarna komt. Sommigen zijn onderweg afgehaakt, anderen namen een pauze en niemand vraagt iets aan de ongelovigen. Het is ook een fascinerende ‘what if’-oefening om je in te beelden hoe het geweest zou zijn als dat instapmoment vroeger of later zou geweest zijn. Hoe onwaarschijnlijk moet het dan niet geweest zijn om Dylan ontdekt te hebben in 1965? Ik zal het nooit weten. Een foto van mijn moeder die met mij in haar buik de trap op stapt van een vliegtuig dat ons van Oostende naar Londen brengt in de lente van dat jaar is het dichtste dat ik in de buurt kom. Misschien zijn wij wel samen ergens te zien op een stukje ongebruikte pellicule van Don’t Look Back? De gedachten slaan al eens op hol. Jaren later heb ik even gepraat met Suze Rotolo, het meisje van de Freewheelin’-hoes dat zoveel meer was dan dat meisje. We hadden het over Dave Van Ronk en over Perugia. In 1965 was zij al uit beeld en schreef ze verder aan haar eigen verhaal.

Of wat als je 15 zou geweest zijn in 1986 en met gezonde belangstelling op aanraden van een oudere fan en dus in blind vertrouwen de nieuwe Dylan had gekocht? Knocked Out Loaded in alle opzichten wellicht.

Hoe zalig moet het anderzijds wel geweest zijn om als leek zonder enige voorkennis ontmaagd te worden door een Bootleg Series-aflevering als Tell Tale Signs in 2008?

Elk van die instapmomenten zorgen voor een andere verhouding, een andere kweekvijver, andere vertakkingen, andere Dylan-verhalen.

Mijn persoonlijke instapmoment als late 1965’er was 1978. Dylan was al vrij aanwezig in mijn leven. Scoutskampvuren en folkliedjes gingen toen nog vrolijk samen en ik schreef de teksten van liedjes als Don’t Think Twice, It’s All Right vlijtig over in een schoolschriftje. De zolderkamer was met twee oudere broers een vruchteloos verboden schatkamer vol muziek en werd door mij al gauw in het geniep systematisch en alfabetisch doorspit. Blood On The Tracks en Desire waren gewoon twee lp’s in een achteraf gezien fenomenale rij die de spons in mij allemaal opzoog. De obligate Beatles en Bowie, de vooral dode Jim Morrison en Jimi Hendrix, natuurlijk Lou Reed, maar die 13-jarige kreeg ook Frank Zappa en vooral ook Robert Wyatt mee. Van Joy Division, Tuxedomoon en Sonic Youth was nog geen sprake. Maar in 1978 was er dus die eerste release waar je je als Humo-lezer van bewust was. Street Legal. Voor het eerst was Dylan nieuw en was die nieuwigheid tastbaar in een luisterhokje in een platenwinkel. Uitkijken naar iets, spanning, de naald laten zakken en luisteren. Het lijken wat vergeten rituelen.

Street Legal is mijn vertrekpunt en hoezeer ik Dylan ook heb vervloekt toen hij daarna zomaar religieus werd en dat helemaal niet strookte met mijn jeugdigheid en Joy Division, ik was onbewust misschien een gelovige die toch al had mogen smaken van iets dat leek op een heilige geest. Toen ik in datzelfde 1978 of misschien al 1979 in Cine Rialto in Oostende The Last Waltz zag – een andere Scorsese-film – was ik trouwens helemaal verkocht. De spanningsboog die via die pleiade aan sterren werd opgebouwd tot aan die ronduit energiek-slordige finale … ‘We’d like to bring on … uh … one more very good friend of ours … Bob Dylan’. Voor mij ging het echt niet over het afscheid van The Band en ik noem dat moment in die cinema nog steeds mijn eerste live-ervaring. Met excuses aan Boudewijn De Groot en dank aan Muddy Waters en de heer Dylan. Toen ik in 1979 dan de liveplaat At Budokan hoorde, opgenomen van een Duitse radiozender op een oranje BASF-cassette, was ik helemaal verbijsterd. Dat Don’t Think Twice, It’s All Right ook een reggaenummer kon zijn, was toen toch een heel rare, maar fijne ervaring. Nog steeds ben ik vandaag op Dylanconcerten plezierig nieuwsgierig naar wat er nu weer van gemaakt wordt.

Billie Holiday schreef ooit: ‘I can’t stand to sing the same song the same way two nights in succession, let alone two years or ten years. If you can, then it ain’t music, it’s close-order drill or exercise or yodeling or something, not music.’
Bob Dylan heeft dat goed begrepen en zal dat op zijn tachtigste niet vergeten.

Naar verluidt is de man gevaccineerd, verveelt hij zich als de pest en popelt hij van verlangen om de Never Ending Tour weer op gang te trappen. Na die World Gone Wrong waarin we allen heel erg Masked and Anonymous hebben geloofd dat online ook wel echt is, ben ik er klaar voor. Ik zal er zijn. Net zoals al die anderen. Allemaal met hun eigen verhaal. Voor de man, voor de mythe, voor de maskers en de moraal.
Maar eerst wordt het maandag. Laat ons dan toch maar allemaal heel uniek vieren. Elk op onze manier. Elk met onze instapplaat. Samen komen we er de dag wel mee door. Ik begin met Street Legal.
‘Señor, señor, do you know where we’re headin’? Lincoln County Road or Armageddon?’

De heilige geest mag het weten.

Johan Decroos, lector niet-confessionele zedenleer en cultuuronderwijs Howest BaSO. 

FOTO: De Dylan-fan, in de jaren tachtig.

 

TONY VANDERHEYDEN: ‘Not dark yet, but it’s getting there’
Op de eerste pagina van Bob Dylan’s enige echte boek ’Tarantula’ staat ‘Poets and writers tell us how we feel by telling us how they feel’.
Dat is wat Dylan doet met zijn muziek, zijn woorden, zijn schilderijen, zijn ijzervlechtwerk.
Bod Dylan is een storyteller, die zijn verhalen over lieven en leven met eenvoudige akkoorden maar zonder akkoord van wie dan ook, vertelde aan wie luisteren wilde en soms horen moest.
BD, een “song and dance man” zoals Marc Didden terecht mooi samenvat, is een veelzijdig creatieve artiest. Wie hem in een hokje steekt (protestzanger, folkzanger, …) doet hem tekort en begrijpt hem wellicht niet.
Bij Dylan lijkt de weg en het levenspad belangrijker dan de bestemming.
Neem de schilderijenreeks ’The Beaten Path’. Schijnbaar eindeloze wegen. Tijdelijke eet- en overnachtingsplaatsen. Het leven als ‘a never ending tour’.
Creatief en kenmerkend: ‘verder gaan’, verder zoeken en verschillende versies geven aan eigen nummers, aan eigen schilderijen en bij uitbreiding aan hoe je naar eigen leven en dat van anderen kunt en soms zou moeten kijken.
Lees wat meer BD, je krijgt er gratis muziek bij, like a rolling stone on rough and rowdy ways.
Tony Vanderheyden, coördinator Non-fictie bij Creatief Schrijven vzw
FOT0 1, 2 en 3: ‘The Beaten Path’ – reeks kunstwerken van Bob Dylan

 

ELLI IZEBOUD: ‘BOB DYLAN: 80 JAAR EIGEN WIJS’

Bob Dylans muzikale start (1961) viel samen met m’n beginnende puberteit. De middelbare stadsschool kwam in plaats van de lagere dorpsschool. Een nieuwe wereld ging open. Ik groeide op met Dylans muziek. Later, studerend in Amsterdam, kwam er meer actie bij de muziek.  Samen demonstreren. Samen zingen. Onoverwinnelijk wanen. Dylans muziek had iets te betekenen. Je kon er tegenaan leunen en erop bewegen. Voor alle emoties een lied. ‘The times, they are a-changing’– Hoop. ‘Blowing in the Wind’ – Weemoed en Verlangen. Troost bij ‘Sad eyed Lady of the lowlands’. De naoorlogse periode leerde je om vrede te vieren en oorlog te vrezen. Daarbij hoorde de Woede uit ‘Masters of War’.

De uitnodiging voor de Midnight Special stimuleert me om Dylans werk opnieuw te beluisteren. Bob Dylan was voor alle leeftijden. Al mijn broers en zussen – in geboortejaren uiteenlopend van 1942 tot 1961 – hebben iets met Dylan en hebben het doorgegeven. Z’n teksten zijn krachtig en precies. Toch niet tijd- en plaatsgebonden. Daarom zo geschikt voor vertolking door anderen, voor vertaling en hertaling, voor nieuwe interpretaties. Een Tijdgeest die zich blijft ontwikkelen.

Jaren zijn verstreken en gaan tellen. Dylans treinsongs staan op de playlist voor de ochtendgymnastiek. Als ik nu luister naar ‘de veranderende tijden’ is het gevoel van hoop gemengd met huiver. De vroegere hoop die hoort bij ‘veranderende tijden’ is nu gemengd met huiver. Welke kant gaan die veranderingen NU op? De woede uit ‘Masters of War’ blijft en voedt m’n waakzaamheid. Ik hoor ook graag de vertolking ‘Oorlogsgeleerden’ door Wannes van de Velde.

De specifieke waarde van dichter-zanger-performer Bob Dylan is voor mij gekoppeld aan de verbindende kracht van zijn werk in mijn jonge jaren. Het is muziek die je deelt, en naspeelt. Zoals ik Bob Dylan ook graag samen met anderen zie optreden. Joan Baez. The Band. Johnny Cash.

Ik verheug me op ‘Bob, till we drop’. Een perfecte gelegenheid om verbindingen te voeden en te vieren tussen al degenen die ‘iets met Dylan hebben’. The beginning of a new adventure?

Elli Izeboud, sociologe, voormalig voorzitster van CPN (Communistische Partij Nederland), mede-stichtster van Groen-Links, ombudsvrouw emancipatie.

FOTO: Als partijvoorzitster op het 29ste partijcongres van de CPN, in 1985.

 

VOOR ùW ENIGE GETUIGENIS, IS DIT HET ENIGE ADRES: hetzoekendhert@gmail.com.

Het zoekend hert ° The searching deer is een intiem en onafhankelijk filosofiehuis in het zuiden van Antwerpen, waar denkende enkelingen terechtkunnen voor zingevende ontmoetingen en geëngageerde activiteiten.

Koninklijkelaan 43
B-2600 Berchem-Antwerpen

het zoekend hert logo